FR | EN | NL

Memorial 1815

 

WEETJES

De gids Decoster

Decoster was een herbergier uit de streek, die tegen zijn zin door Napoleon werd ingelijfd als gids. Omdat hij zich bij het minste schot placht te verbergen, zou de keizer bevolen hebben hem vast te binden op zijn paard. Toch moet de opdracht hem geïnspireerd hebben, want toen de rust was weergekeerd, bood hij aan de talrijke toeristen die het slagveld kwamen bezoeken zijn diensten aan.

 

Lieutenant général Picton

Generaal Picton leidde de tegenaanval tegen het Iste Franse Korps. De uiterst bekwame Britse officier werd daarbij gedood. Eerder had hij zich al verdienstelijk gemaakt in de slag bij Quatre-Bras, waar hij gewond was geraakt. Omdat de koffer met zijn uniform niet was aangekomen, vocht Picton in burgertenue, met een hoge hoed (te zien in het National Army Museum in Londen).

 

 

 

De Vogelvangers

Tijdens de Britse cavalerieaanval tegen het 1ste Franse Korps weet sergeant Charles Ewart van de beroemde Scots Greys (genaamd naar hun grijze paarden) het vaandel en de arend van de vaandelstok van het 45ste Franse regiment te bemachtigen. Sindsdien bevat het embleem van de 2nd Royal North British Dragoons (Royal Scots Greys) een arend en draagt de eenheid de bijnaam Bird Catchers (Vogelvangers). De buitgemaakte arend is vandaag nog steeds te zien in het museum van Edinburg Castle

 

 

 

De holle weg

In Les Misérables beschrijft Victor Hugo een ravijn vol paarden en ruiters. Die “holle weg” stemt overeen met de huidige verharde weg die van de steenweg Charleroi – Brussel naar de Leeuw van Waterloo leidt. In 1815 was de weg over minstens 150 meter ingenomen, maar het verhaal van Hugo is volledig geromantiseerd en niet geloofwaardig, want geen enkele historische bron vermeldt een dergelijke tragedie.

 

Het been van Lord Uxbridge

Een laatste Frans kanonschot bezorgde Lord Uxbridge lelijke verwondingen aan het linkerbeen. Het been moest geamputeerd en kreeg een apart graf in Waterloo, dat in de jaren die volgden door talrijke Britse toeristen werd bezocht. Na de dood van Lord Uxbridge (in 1854), werd het been opgegraven, naar het Verenigd Koninkrijk overgebracht en samen met de grote cavalerist begraven. De prothese legde de omgekeerde weg af en bevindt zich nu in het museum van Waterloo.
Maar er is ook een andere, eerder macabere versie van het verhaal, waarvan overigens bewijzen bestaan. Op een niet nader genoemd moment werden de botten van het been opgegraven en tentoongesteld in Waterloo, wat leidde tot een klacht van de familie. Daarop zouden ze opnieuw worden begraven, maar voor het zover kwam, verdwenen ze. Over de echtheid van de prothese in het museum van Waterloo bestaat geen twijfel..

 

De woorden van Cambrone

Volgens een zeer populaire legende kreeg Cambronne, commandant van het laatste carré van de Keizerlijke Oude Garde, de opdracht van de Britse generaal Colville om zich over te geven. Cambronne zou echter geantwoord hebben: "De garde sterft, maar geeft zich niet over." Op het aandringen van de Brit reageert hij met het energieke en gevatte "Merde!". Heel zijn leven zal hij blijven ontkennen deze opmerking ooit te hebben gemaakt. Of hij dit woord nu al dan niet heeft uitgesproken: de naam van de generaal is er nu onlosmakelijk mee verbonden, in zoverre zelfs dat het een eufemisme is geworden.

 

 

 

De boom van Wellington

Tijdens de slag zou Wellington meermaals op de uitkijk gestaan hebben nabij het kruispunt van de Charleroise steenweg en de chemin de la Croix (de huidige weg naar de Leeuw). Op die plaats stond een mooie iep. Een Britse zakenman kreeg het idee de boom te kopen om er souvenirs van te maken. Hij maakte van het hout zelfs twee fauteuils, waarvan hij één aan Koningin Victoria, de andere aan de Hertog van Wellington aanbod. Rond 1980 werd op dezelfde plaats een nieuwe boom aangeplant, speciaal voor de toeristen die verzot zijn op anekdotes.

 

 

De Schotse kilt

Zes bataljons van Schotse infanterieregimenten namen deel aan de slag bij Waterloo. Die regimenten met de naam Highland of Highlanders droegen de nummers 42, 71, 73, 78, 79 et 92. Slechts drie bataljons droegen kilts. De officiers waren blijkbaar kouwelijker of preutser: zij droegen broeken.

 

De keizerlijke berlines

Net als zijn maarschalken en generaals beschikte ook Napoleon over berlines die alles wat nodig was voor de veldtocht (en meer) vervoerden. Na de slag, tijdens de achtervolging, vonden de Pruisen in Genappe rond 11 uur ‘s avonds de koetsen die de Keizer had moeten achterlaten: luxueuze en bijzonder goed uitgeruste voertuigen en zelfs een Panzerberline, een echte brandkast op wielen, met edelstenen, goud en zilver. Het was een aanzienlijke schat. De soldaten haastten zich om hun zakken en tassen te vullen, maar op bevel van de officiers werd de buit vrijwel integraal aan de koning van Pruisen geschonken. Eén van de luxueuze berlines werd door het wassenbeeldenmuseum Madame Tussauds in Londen aangekocht en vanaf 1842 tentoongesteld. De “Waterloo berline” verdween in 1925, toen een vreselijke brand het gebouw in de as legde.

Praktische informatie

MEMORIAL 1815
Virtual visit